Met het inmiddels klassieke Get Some (1997) lag een glorieuze toekomst voor het grijpen voor hardcore-formatie Snot. Helaas had het lot andere plannen en werd zanger Lynn Strait bruut uit het leven gerukt door een tragisch auto-ongeluk. Het betekende ook meteen het einde van de formatie, om slechts sporadisch terug te keren voor een reünie. Sinds een paar jaar zit vocalist Andy Knapp nu in de band en lijkt de groep weer te genieten van een opleving. In de Marquee is het in ieder geval zweten geblazen, en dat ligt niet alleen aan de onmenselijke hitte. Knapp zweept het publiek als een bezetene op en gaat zelf ook flink tekeer. Vocaal laat hij zich eveneens van zijn beste kant horen en maakt hij behoorlijk indruk. Zijn felle uithalen in The Box zijn heerlijk rauw en hij spuwt zijn teksten uit met een flinke dosis agressie, terwijl drummer Jamie Miller het tempo flink opvoert met zijn drumwerk. Het is genieten van klassiekers als Get Some, Snot, Stoopid, My Balls en afsluiter Absent. Daarbij is het bewonderenswaardig dat Snot, met zo'n verleden en na al die jaren, nog steeds hongerig voor de dag komt en het publiek wil overtuigen. Met een nieuw album onderweg lijkt de formatie er dus echt voor te gaan, en het is haar gegund dat het een succes wordt.
Op de Jupiler Stage zal rapmetal-/metalcoreformatie Blackgold zich vóór het optreden vast hebben afgevraagd of het dragen van maskers tijdens de shows wel zo'n goed idee was. Des te meer respect voor de heren, die volledig uitgedost over het podium stuiteren en zichzelf geen moment rust gunnen. De muziek, die bestaat uit een kruising van metal met invloeden van Cypress Hill, Limp Bizkit en Beastie Boys, is niet meteen heel interessant of beklijvend, maar weet door de energie van de bandleden live nog enigszins te boeien. De cover van I Ain't Goin' Out Like That is daarentegen wel vermakelijk, mede door de inzet van beide vocalisten. Van het eigen werk weet Social Blackout het meest te overtuigen. Met gitaarriffs die geïnspireerd lijken door Korn en een goede rapflow laat de band horen wel degelijk wat in haar mars te hebben. Vooraan weten de bandleden het publiek dan ook goed in beweging te krijgen, maar de rest van de toeschouwers volgt het optreden rustig.
Het uit de Verenigde Staten afkomstige The Funeral Portrait is nog een relatief jonge band, maar lijkt er één om in de gaten te houden. De groep brengt zijn emo-rock op een sterk theatrale wijze en heeft in korte tijd al een flinke fanbase aan zich weten te verbinden. Vocalist Lee Jennings oogt als een geboren entertainer, al heeft hij wel moeite om de iets meer dan half gevulde tent volledig voor zich te winnen. De show opent met een sterke cover van het prachtige Mad World van Tears For Fears. Deze versie, die iets meer rockt dan het origineel, wordt echter vroegtijdig afgebroken wanneer deze overgaat in het stevigere Generation Psycho. De songs van The Funeral Portrait liggen makkelijk in het gehoor en de refreinen blijven snel hangen. Tegelijk moet worden gezegd dat niet elk nummer even sterk is; tracks als Holy Water en Blood Mother weten niet altijd de aandacht vast te houden. Prijsnummer en afsluiter Suffocate City brengt daar verandering in en zorgt voor een duidelijke opleving in de Metal Dome. Hoewel de band muzikaal nog wat stappen kan zetten om echt te verrassen, wordt dat ruimschoots gecompenseerd door de tomeloze energie op het podium. De potentie is duidelijk aanwezig en de volgende keer dat The Funeral Portrait Graspop aandoet, ligt een betere positie op de affiche voor de hand.
Met debuutalbum Excessive Guilt (2024) heeft Thrown een prima indruk achtergelaten in de metalcore-scene. De band fuseert snoeiharde metalcore met hardcore en tapt daarbij ook nog lichtelijk uit het rapcore-vaatje. De agressie die op de plaat hoorbaar is, weet de groep vandaag ook over te brengen op de Jupiler Stage. Vocalist Marcus Lundqvist is heer en meester op het podium terwijl hij zijn teksten agressief uitspuwt. Daarbij maken de zware gitaarriffs en brute breaks indruk. Het is ook niet gek dat het energiek spelende kwartet binnen de kortste keren genoeg crowdsurfers zijn kant op ziet komen. Het recent uitgebrachte Split laat horen dat de groep op zijn aanstaande nieuwe release niet van plan is om rustiger aan te doen, terwijl prijsnummer On The Verge het publiek vooraan op zijn kop zet. Thrown is een band die in de toekomst in de core-wereld nog een aanzienlijke rol gaat spelen.
Waar Thrown een belofte is in de core-regionen, is Gatecreeper die status inmiddels ontstegen en uitgegroeid tot een gewaardeerde naam binnen het deathmetalgenre. De uit Arizona afkomstige band haalt zijn invloeden voornamelijk uit giganten als Entombed en Obituary, en dat is vooral terug te horen in de zagende gitaarriffs en de grunts van Chase Mason. Aanvullend zijn de zompige moerassound, die te herleiden valt naar de thuisbasis van de band, en de zwaar groovende gitaren kenmerkend voor het geluid. Veel liefhebbers zijn er nog niet voor Gatecreeper, al wordt de sauna in de Marquee ook bewust door velen vermeden. Degenen die er wel zijn, krijgen een overtuigende show voorgeschoteld. De massieve gitaarriffs overrompelen en Masons roggels doen regelmatig aan John Tardy (Obituary) denken. Met Black Curtain presenteert de band een uiterst dansbaar deathmetalnummer, dat drijft op heerlijk groovende gitaarriffs. Van dat kaliber heeft Gatecreeper meer songs in huis, zoals Flesh Habit en het korte, snelle Sick Of Being Sober. "Who has seen us before?" vraagt de frontman halverwege de set. "And who has no idea who we are?" vervolgt hij, om daarna "Well, you are about to find out!" uit te schreeuwen. Dat is één ding wat zeker is: de band laat een prima visitekaartje achter. Heel vernieuwend is Gatecreeper niet, maar de groep behoort zeker tot de lichting deathmetalbands die je in de gaten kunt houden.
Door het annuleren van Tom Morello wegens familieomstandigheden mag Wind Rose later aantreden dan aanvankelijk de bedoeling was. Gezien de enorme populariteit van deze dwarfmetalband is die positie hoe dan ook te rechtvaardigen. Het publiek heeft zich goed voorbereid en de plastic opblaaspikhouwelen zijn niet te tellen. Wie eerder bij een optreden van de feestelijke powermetalband is geweest, weet dan ook precies wat hij kan verwachten. Hard werken in het publiek, aangezien er volop wordt geroeid, gegraven, gehakt en gedanst. De publieksparticipatie is dan ook altijd een van de grote trekpleisters bij Wind Rose. Muzikaal heeft de band namelijk niet gigantisch veel om het lijf; het zijn vrolijke, catchy songs die met één doel zijn geschreven: luidkeels meegebruld worden. Desondanks slaat het aan, en wel op zo'n manier dat de Italiaanse band het zelf ook niet had verwacht, vertelt zanger Francesco Cavalieri, die diep onder de indruk is van alle mensen die zijn komen kijken. Vandaag markeert namelijk de grootste show ooit voor de band. Het op de wereld van J.R.R. Tolkien geïnspireerde spektakel mondt uit in een waar volksfeest en in het publiek heerst een grote saamhorigheid. Nummers als Army Of Stone, Together We Rise en het iets stevigere Trollslayer worden gretig ontvangen, terwijl het feest pas echt losbarst bij het hoogtepunt Mine Mine Mine! en uiteraard bij instantklassieker Diggy Diggy Hole. Muzikaal tapt Wind Rose misschien iets te vaak uit hetzelfde vaatje en mag het allemaal wel wat spannender, maar als je het effect op het publiek ziet, is het volkomen logisch waar de formatie mee bezig is. Dan begrijp je ook dat de mannen voorlopig niet van deze succesformule zullen afwijken.
De punkrock vermengd met metalcore die het Amerikaanse A Day To Remember maakt, vierde hoogtij met Homesick (2009) en What Separates Me From You (2010). Die twee platen mogen gerust genreklassiekers genoemd worden en dat niveau heeft de groep sindsdien niet meer weten te evenaren. Vooral doordat het tempo dikwijls omlaag ging en de groep een meer popgeoriënteerd geluid ging nastreven. Het is dan ook fijn dat de focus van dit optreden grotendeels op het wervelende verleden ligt, aangevuld met een aantal nieuwe tracks. Voorafgaand aan het optreden stroomt het podium vol met fans die daar de hele show mogen meefeesten en die meteen ook kunnen helpen met de gangvocals tijdens het intro van opener The Downfall Of Us All. De band heeft voor het theatrale effect flink wat pyro meegenomen, maar ondanks die hitte wil het optreden niet meteen ontvlammen. Dat komt doordat de groep het tempo iets omlaag houdt en ook vocalist Jeremy McKinnon de energie niet direct weet over te brengen. Dat is jammer, want aan de setlist mankeert vandaag weinig. Met I'm Made Of Wax, Larry, What Are You Made Of?, 2nd Sucks en het heerlijke Paranoia komen de favorieten al vroeg voorbij. Het publiek lijkt, net als de formatie, ook even te moeten opwarmen, maar uiteindelijk komen beide goed op gang. Zeker wanneer McKinnon vraagt waar de crowdsurfers blijven, krijgt hij vanuit het publiek een overtuigend antwoord. Uiteindelijk mondt het optreden uit in een nostalgisch feest en wint de groep het op basis van sympathie, al kan het nog altijd beter.
Vrij verrassend kondigde Megadeth onlangs zijn pensioen aan en bracht eerder dit jaar met het naar zichzelf vernoemde album zijn zwanenzang uit. Dat mag verrassend worden genoemd, omdat Dave Mustaine zich op plaat de laatste jaren nog altijd prima laat gelden. Met Dystopia (2016) en The Sick, The Dying... And The Dead! (2022) kwam de formatie sterk voor de dag en ook het laatste wapenfeit wist de fans over het algemeen tevreden te stellen. Live daarentegen is het al jaren wat minder gesteld met de legendarische frontman. We willen het allemaal nog graag goed vinden, maar eerlijk is eerlijk: Dave Mustaine is op het podium tegenwoordig nog slechts een fragiele schim van zichzelf. Vooral vocaal klinkt het allemaal erg iel en is de scherpte grotendeels uit zijn stem verdwenen. Na de lichamelijke kwalen die de man heeft moeten doorstaan, is dat ook heel begrijpelijk. Vanavond neemt Megadeth afscheid van België en doet dat op waardige wijze. Want waar de zang veel te wensen overlaat, laat Mustaine zijn gitaar nog altijd met verve spreken. Oudjes als Take No Prisoners, Hangar 18, Skin O' My Teeth, Sweating Bullets en het verrassende Hook In Mouth krijgen wervelende vertolkingen, waarbij ook het spel en het spelplezier van de overige bandleden positief opvallen. Ook nieuwe nummers als Tipping Point, Let There Be Shred en de discutabele eigen cover van Ride The Lightning (Metallica) doen het goed. Met klassiekers als Peace Sells, Symphony Of Destruction en afsluiter Holy Wars laat Megadeth België nog één keer springen en genieten van deze eigenzinnige metalveteraan, die het genre karakter heeft gegeven en zonder wie het nooit hetzelfde zou zijn geweest.
Graspop heeft punkrock al jaren geleden omarmd en met The Offspring heeft de organisatie zelfs een van de grootste namen uit het genre als headliner aangesteld. Met Pennywise staat vandaag opnieuw een gevestigde punkrockband op de affiche. Waar vroeger de rollen nog waren omgedraaid en The Offspring als support van Pennywise meeging, is de ene inmiddels uitgegroeid tot een arena rock-achtige act, terwijl de mannen onder leiding van vocalist Jim Lindberg trouw zijn gebleven aan hun compromisloze roots en vanavond voor een overvol veld op de Jupiler Stage staan. Aangezien er al jaren geen nieuw materiaal is verschenen, speelt de band een set vol klassiekers. Het anarchistische Fuck Authority is zoals altijd een hoogtepunt, net als de ultieme meezinger en afsluiter Bro Hymn. Tussendoor komt de groep nog met een leuke covermedley, waarin nummers van onder andere NOFX, Bad Religion en Beastie Boys voorbij komen. Voor de rest zijn het vooral snelle punkrocknummers die de klok slaan. Veel poespas is er niet en ook grote verrassingen blijven uit, maar vermakelijk is de show zeker.
Limp Bizkit had, als de formatie dat had gewild, een onbetwiste headliner kunnen zijn. De befaamde nu-metalact scoorde eind jaren negentig en aan het begin van het nieuwe millennium de ene na de andere hit. Klassiekers die na meer dan twintig jaar nog steeds fier overeind staan en elke festivalweide zonder pardon kunnen veranderen in een kolkende massa. Als je je dan afvraagt waar het misgaat, is het antwoord: Fred Durst. De legendarische frontman lijkt er geen zin meer in te hebben en smoort live elk stukje agressie dat de muziek van Limp Bizkit zo kenmerkt. Met tamme vertolkingen van Just Like This en 9 Teen 90 Nine komt het optreden moeizaam op gang. Vervolgens wordt een blik nostalgie opengetrokken met Break Stuff, Hot Dog, My Generation, Take A Look Around en Nookie, maar ook die worden vakkundig om zeep geholpen door het slappe geouwehoer van Durst. De energie van weleer is nergens meer te herkennen; hij spuwt de woorden ongeïnspireerd en gemakzuchtig uit. Wanneer het even lijkt aan te slaan en het gaspedaal kort wordt ingetrapt, wordt direct daarna de handrem weer aangetrokken. Zo valt het optreden voortdurend stil door audiofragmenten of eindeloos geklets, waardoor de vaart volledig verdwijnt. Toch zijn er momenten waarop de vlam even terug lijkt te keren. Zo mogen twee toeschouwers meezingen met Full Nelson, waarbij vooral de jonge fan Durst moeiteloos naar de kroon steekt met een flinke dosis energie en attitude. Het lijkt er zelfs op dat de vocalist daardoor even wordt gedwongen een paar tandjes bij te zetten. Tijdens Behind Blue Eyes lijkt Durst vervolgens eindelijk zijn masker af te zetten als hij het nummer opdraagt aan het overleden bandlid Sam Rivers, waarbij er even oprechtheid te zien valt. Limp Bizkit sluit vervolgens af met nogmaals een versie van Break Stuff, die dankzij de gastbijdrage van Slay Squad net wat meer pit heeft. Toch blijft het optreden vooral aanvoelen als een gemiste kans: een show die draait op herkenbaarheid, maar die de magie van vroeger nauwelijks nog weet te raken.
Aan The Offspring de eer om de eerste dag van Graspop af te sluiten. Net als Limp Bizkit beleefde ook deze band zijn hoogtijdagen in de jaren negentig en het begin van het nieuwe millennium. De groep is daarna albums blijven maken, maar lijkt tegenwoordig vooral zijn verleden volledig te hebben omarmd en opent vanavond een blik nostalgie tijdens een kletsnat optreden. De ene na de andere publieksfavoriet passeert de revue en het podium staat volledig in het teken van de bandgeschiedenis, met op de schermen voortdurend herkenbaar oud artwork. Met klassiekers als Come Out And Play en All I Want krijgen Dexter Holland en gitarist Noodles het publiek al snel in beweging. Wat meteen opvalt, is dat de nummers een tandje langzamer worden gespeeld en dat ook de stembanden van Holland de tand des tijds niet ongeschonden hebben doorstaan. De felheid van weleer en de hoge uithalen haalt hij helaas niet meer. De show blijft vervolgens een aaneengesloten meezingfestijn waarin vrijwel iedere publieksfavoriet voorbij komt. Met Looking Out For #1 en Make It All Right komt ook recent materiaal van Supercharged (2024) voorbij, maar dat weet weinig indruk te maken. Het is tekenend voor de huidige staat van de band: comfortabel, zonder scherpe randjes. De snedigheid die Dexter Holland ooit kenmerkte, lijkt grotendeels verdwenen. Naast de muziek is ook het showelement inmiddels vaste kost. Wie The Offspring eerder zag, weet precies wat hij kan verwachten: Bad Habit wordt onderbroken voor een praatje, Noodles schreeuwt opnieuw “Fuck yeah!” en laat het publiek meedoen, en ook het gitaarstuk In The Hall Of The Mountain King keert terug. Het zijn leuke momenten, maar ze voelen inmiddels wel erg voorspelbaar. Tijd voor vernieuwing. Los daarvan maken de heren het als headliner gewoon degelijk waar. Zeker tegen het einde, met het Americana (1998)-blok (Why Don't You Get A Job, Pretty Fly (For A White Guy) en The Kids Aren’t Alright), barst het feest echt los. You’re Gonna Go Far, Kid en Self Esteem trekken dat gevoel door en sluiten een degelijk, maar weinig verrassend concert af.













