Lamb Of God is zo’n band die zowel wordt verguisd en aanbeden. De formatie uit Richmond, Virginia, groeide uit tot een vaste waarde in de metalscene, maar bereikte nooit de mythische status van een band als Pantera. Dat lijkt de heren overigens weinig te deren. Sinds het debuut New American Gospel (2000) is hun muzikale koers namelijk nauwelijks veranderd. Het nieuwe Into Oblivion vormt daarom een uitgelezen moment om de band weer eens nauwkeurig onder de loep te nemen.
In de begindagen — aanvankelijk nog opererend onder de naam Burn The Priest — klinkt de band rauwer en chaotischer, met riffs die tegen death metal aanschurken, maar stevig geworteld zijn in hardcore en vroege metalcore. Met As The Palaces Burn (2003) en vooral Ashes Of The Wake (2004), wordt het klassieke Lamb Of God-geluid bereikt en ontstaat de strakke, ritmische en vooral genadeloze groove die het centrum zal zijn van alle volgende platen. Deze sound laat zich lastig in een hokje duwen. Ze bevat het groove-DNA van Pantera (een invloed die de band zelf ook ruiterlijk toegeeft), maar dan zonder die losse, bluesy bravoure van Dimebag en minder melodiegedreven. Er zijn zeker ook invloeden vanuit nu metal te bespeuren, maar zonder de aanstekelijke hiphop-bounce en veel minder radiovriendelijk.
Maar juist in die beperking schuilt de kracht die de band al meer dan twee decennia lang aan de top heeft gehouden. De riffs worden gestript tot hun essentie en die focus maakt de muziek tegelijk intenser en zwaarder, waardoor de groove veel harder aankomt. Dit geluid is door de jaren heen weinig veranderd. De stabiele bezetting zal hierbij zeker geholpen hebben. Van de originele line-up ontbreek alleen drummer Chris Adler, maar zijn vertrek (lees: ontslag) heeft de band niet uit balans gebracht, want Art Cruz sluit met zijn strakke spel naadloos aan bij het bestaande geluid.
Vanaf de eerste tonen van titeltrack Into Oblivion wordt duidelijk dat ook dit album stevig binnen de bekende kaders kleurt. Harde, aanstekelijke grooves van het duo Mark Morton en Willie Adler, een massieve gitaarsound en een breakdown die even effectief als voorspelbaar is. Hier en daar wordt er effectief gebruik gemaakt van keyboards om meer diepte te creëren. Parasocial Christ is snel en groovy, met riffs die ritmisch met elkaar contrasteren zonder dat het tempo en het gevoel van sluimerende onrust zakt die het nummer kleuren. Sepsis ploegt log en dreigend voort, met intens zangwerk van Blythe en een passend aggressieve afsluiting met een breakdown.
Op de eerste helft van het album valt op dat de band meer dissonante accenten en metalcore-invloeden toelaat dan op de voorganger. Dat brengt wat meer variatie en nuance, die de songs een wat opener karakter geven, maar het is nog te subtiel om een echt onderscheid met het voorgaande werk te bereiken. Gelukkig wint Into Oblivion op de tweede helft, na de enigszins raadselachtige ballad El Vacio, die duidelijk bedoeld is als rustpunt, maar eerder het tempo uit de plaat haalt, duidelijk aan variatie. Blunt Force Blues heeft effectieve tempowisselingen, een fijne groove en een sterk refrein, maar wat vooral opvalt is de verrassende Meshuggah-achtige riff die extra agressie en intensiteit geeft. Bully combineert dissonante metalcore-accenten in de riffs met een losse bluesy feel in sommige van de gitaarmelodieën, die zorgen voor een mooi – en wederom verrassend – contrast.
In A Thousand Years toont Blythe zijn veelzijdigheid met gesproken passages, gekrijs en cleane zang, die hij effectief weet te gebruiken om steeds subtiel een andere sfeer aan het nummer te geven. Het lagere tempo en de logge, zompige riffs geven het nummer een stuwend, bijna onweerstaanbaar ritme. Device Destroy leunt vervolgens weer op een ouderwets hardcore-gevoel en sluit de plaat op een prettig intense manier af.
Qua songwriting is er ook op Into Oblivion weinig aan te merken op de band. Al vanaf het begin van hun carrière tonen de heren zich vaardige componisten die weten wat ze kunnen – en vooral wat ze niet kunnen – en die zich als vaardige schoenlappers bij hun eigen leest houden. En precies daar zit de kracht én beperking van Lamb Of God. Ze opereren binnen duidelijke grenzen, maar beheersen dat territorium tot in de puntjes. Dit is volgens de critici altijd de achilleshiel van de band geweest: de riffs zijn altijd sterk, maar liggen soms te dicht op elkaar in sfeer en structuur. Dat resulteert ook nu weer in een plaat zonder zwakke songs, maar ook zonder echte uitschieters.
Nieuwe zieltjes zal de band er niet mee winnen; daarvoor klinkt het te herkenbaar, misschien zelfs te veilig. Soms zou je willen dat er meer risico’s genomen en de luisteraar écht verrast wordt, maar dat zit simpelweg niet in het DNA van de heren. Daar kunnen we moeilijk over doen, of we kunnen het gewoon dankbaar accepteren. Toch bewijst de sterke tweede helft dat de band nog altijd zoekt naar nuance en verfijning binnen het vertrouwde geluid en daarbij ook bereid is met nieuwe ideeën te experimenteren. Lamb Of God zal het roer nooit plots omgooien, maar Into Oblivion is een waardige opvolger van Omens en behoort tot het betere werk uit hun latere periode.
Tracklist:
1. Into Oblivion
2. Parasocial Christ
3. Sepsis
4. The Killing Floor
5. El Vacio
6. St. Catherin’s Wheel
7. Blunt Force Blues
8. Bully
9. A Thousand Years
10. Device Destroy




